Welkom » Toolbox » Hoe zit de wereld in elkaar?

De feiten volgens de CIA: de CIA World Factbook


De leugens, volgens Noam Chomsky:
Hoe komt het dat mensen zo weinig weten, terwijl er zoveel informatie beschikbaar is?

Het propagandamodel van Edward S. Herman en Noam Chomsky is een model van de werking van westerse, met name Amerikaanse, massamedia als propaganda-instrument van de gevestigde orde, dat de mensen kneedt in een bepaalde richting en hen dom houdt.
Het model werd voor het eerst gebruikt door Herman in zijn
Corporate Control, Corporate Power (1981) en verder uitgebouwd en gepopulariseerd in het gezamenlijke werk Manufacturing Consent (1988).

Het propagandamodel gaat uit van een vijftal 'filters' die berichten, bronnen en opinies moeten passeren voordat ze nieuws zijn:

1. Grootte, eigendom en winstoogmerk van mediaconglomeraten

In de loop van anderhalve eeuw zijn mediakanalen steeds duurder geworden om te exploiteren: wie een krant, radio- of televisiestation wil opzetten moet een aanzienlijke hoeveelheid startkapitaal hebben om apparatuur (zoals drukpersen) aan te schaffen. Hoewel het aantal bedrijven in de sector groot is (Chomsky en Herman geven een schatting van 25000 in de VS, in 1986[4]), wordt een groot deel van het nieuws uitgegeven door hooguit enkele tientallen grote netwerken die de lokale kanalen bedienen.

Vooral de grote conglomeraten, die vaak verschillende typen media bezitten en besturen, zijn volledig sterk geïntegreerd in het marktsysteem: door deregulering worden de belangen van banken en investeringsmaatschappijen (winst) belangrijker voor de besturen van mediabedrijven dan de regels van de journalistiek.

Daarnaast wijzen Herman en Chomsky op een verstrengeling van media en overheid: bedrijven hebben belang bij gunstige belasting- en arbeidswetgeving. Technologiefirma's als General Electric (eigenaar van NBC) en Westinghouse (kabelnetwerk Group W) hebben een belang bij een klimaat waarin hun militaire technologie verkocht kan worden. Ook de financiering van rechtse denktanks als het American Enterprise Institute door GE moet in dit licht gezien worden.

2. Adverteerdersbelangen

Marktpartijen moeten iets te verkopen hebben. Hoewel het voor de hand ligt om te denken dat media nieuws verkopen aan nieuwsconsumenten, is dit volgens Herman en Chomsky al lang niet meer het geval. In plaats daarvan stellen zij dat media primair lezers/consumenten verkopen aan adverteerders; al sinds de 19e eeuw is de advertentieomzet van kranten in opkomst, relatief tot de omzet behaald door verkoop van de oplage.

Hierdoor hebben media met een welvarend, upper class lezerspubliek een voordeel gehad boven media die vooral de lagere sociale klassen bedienen, in de vorm van lagere verkoopprijzen en een groter budget voor promotie. Herman en Chomsky wijzen op de ondergang van verschillende sociaaldemocratische kranten in het Verenigd Koninkrijk kort na WO II: de Daily Herald, News Chronicle en Sunday Citizen, met een gezamenlijk dagelijks leespubliek van 9,3 miljoen mensen, gingen alle drie in de jaren 60 ten onder, terwijl alleen al de Daily Herald in zijn laatste jaar een groter publiek bediende dan Times, Financial Times en Guardian samen. Slechte electorale resultaten voor Labour volgden.

3. Informatiebronnen

Bij de selectie van nieuwsbronnen moeten massamedia selectief te werk gaan: verslaggevers worden daar gestationeerd waar nieuws en informatie waarschijnlijk verschijnt, zoals bij overheidorganen en bedrijven die regelmatig persconferenties organiseren. Dergelijke professionele bureaucratieën verschaffen bovendien de gewenste schijn van betrouwbaarheid die duur journalistiek onderzoek overbodig maakt. Met hun enorme budgetten bieden ze voorzieningen aan journalisten die de laatsten liever niet kwijtraken; daarom zal niet al hun 'nieuws' even nauwkeurig nagetrokken worden.

4. Flak

Flak ("luchtafweergeschut) wordt door Herman en Chomsky gedefinieerd als "negatieve reacties op een uitspraak of programma in de media". Het kan verwijzen naar afkeuring van berichtgeving en opinie door commentators, briefschrijvers, polemisten etc. De macht past op verschillende manieren grootschalige, georganiseerde flak toe: brieven/telefoontjes van hoge functionarissen naar redacties/directies (de directe manier) dan wel klachten tegenover aandeelhouders/werknemers, financiering van rechtse media watchdogs en denktanks, enz. (indirecte manieren).

Herman en Chomsky geven verschillende voorbeelden van instituten die volgens hen specifiek bedoeld zijn om flak te produceren, opgericht vanuit het grote bedrijfsleven (o.a. Freedom House).

5. Anticommunisme als nationale ideologie

De anticommunistische ideologie van de Verenigde Staten vormt de laatste filter. Die is vooral sterk bij de berichtgeving over Amerikaans buitenlands beleid; bij een aanval van of inmenging door de VS in een ander land wordt de vijand door officiële bronnen als communistisch gebrandmerkt, zodat ook eenieder die (om welke reden dan ook) het beleid kritiseert als communist, communistenvriend of ten minste soft on communism kan worden weggezet.

Met het einde van de Koude Oorlog is de 'dreiging' van communisme verdwenen en heeft het anticommunisme als nationale ideologie afgedaan. Volgens Herman is een 'welhaast religieus geloof' in de markteconomie sindsdien echter zo sterk geïnternaliseerd door de journalistiek dat het dezelfde ideologische rol vervult als het anticommunisme eerder: zowel de ineenstorting van de Sovjet-Unie als de problemen waar het kapitalistische Rusland in de jaren '90 mee kampte worden geweten aan een gebrek aan marktwerking.

Welke nieuwsbronnen gebruik jij? Welke propaganda verspreiden ze?

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.